Gouda´s geschiedenis vanaf het water gezien

 

VOORSPEL

Het hedendaagse Holland was in de vroege middeleeuwen een ten opzichte van de buurlanden, Vlaanderen en Duitsland, en de overburen, Engeland, onderontwikkeld deltagebied. Sinds de Romeinen hier in de eerste eeuwen na Christus hun grens afbakenden en versterkten, was er wel wat bevolkingsaanwas langs de duinenrij en langs de grote rivieren, maar het uitgestrekte veengebied tussen de rivieren, het z.g. Hollandveen, was nauwelijks bewoond.

In de elfde en twaalfde eeuw begonnen de graven van Holland (vanuit de hogere kustgebieden) en de bisschoppen van Utrecht (vanuit de Utrechtse heuvelrug) met het bevorderen van de ontginning van die eindeloze veengebieden door aan de mensen, die zich hier vestigden, vrijheid en de opbrengst van het land te gunnen op voorwaarde van belastingbetaling en nóg wat plichten. Het waterrijke veen was zó slap en nat, dat grote dieren zoals paarden en koeien er in de regentijd in wegzakten en dat er maar weinig gewassen goed op groeiden. Er moest dus ontwaterd worden, en dat gebeurde door het graven van afwateringssloten, die het water langs kanaaltjes naar de rivieren brachten. De indroging van de ontwaterde gronden leidde tot inklinken en dalen van het veen ten opzichte van de rivieren en zo werd het geleidelijk lastiger om het water van het steeds lager gelegen land af te voeren en waren er steeds vaker overstromingen van de ontgonnen gronden bij hoge waterstand door stormvloed of hoge rivierwaterstanden. Plaatselijke instellingen onder leiding van z.g. heemraden, zorgden voor locale activiteiten, zoals dijkenbouw en aanleg van spuisluisjes om het water de baas te blijven. Toen de Oude Rijn steeds verder verzandde en de afvoer vanuit Holland naar zee slechter werd, coördineerden de Graven van Holland de activiteiten van de heemraadschappen. Ze regelden betere waterafvoer door kanalen vanuit het Rijnstroomgebied te laten graven naar (noordelijk) het IJ, dat in open verbinding met zee stond via de Zuiderzee, en (zuidelijk) de Hollandse IJssel, die in de zuidelijke deltawateren uitmondde. De noordelijke afvoer kwam rond het jaar 1200 tot stand met het graven van de Zijl, de Does, de Heimanswetering en de Oude Wetering naar de Leidse- en Haarlemmermeer vanwaar het Spaarne naar het IJ liep. Aan de mond van het Spaarne werd een spuisluis aangelegd. Aan de zuidzijde werd ten oosten van Zwammerdam de Wiericke gegraven naar de IJssel, en ten westen van Zwammerdam werd de Gouwe van zijn oorsprong bij Boskoop rond 1240 verlengd naar de Oude Rijn. De uitmonding van de Gouwe in de Hollandse IJssel bij een nederzetting rond de versterkte hof van Jan van der Goude werd in de tweede helft van die eeuw verbeterd met de aanleg van een gegraven haven.  De Hollandse IJssel was in die tijd ten oosten van Gouda bij Klaphek afgedamd, daardoor verzand en boven Gouda nauwelijks bevaarbaar.

 

GOUDA GROEIT

Door de aanleg van die nieuwe waterlopen ontstond in de tweede helft van de 13e eeuw een vaarweg tussen de IJssel en het IJ, die makkelijker en korter was dan de tot dan toe beschikbare vaarroute van Zeeland naar de Zuiderzee via de benedenloop van de Rijndelta en de Utrechtse Vecht. Het dorp aan de Gouwemonding groeide en kreeg de naam Ter Gouw, later Gouda; het verkeer over water ontwikkelde zich dusdanig dat de grafelijke tol verplaatst werd van Moordrecht naar Gouda en de nederzetting in 1272 stadsrechten kreeg.

Verdere daling van het ontgonnen Hollandse veengebied maakte de aanleg van sluizen noodzakelijk, waarbij van meet af aan rekening werd gehouden met de nieuwe scheepvaartroute: naast enige spuisluizen ten oosten en westen van Gouda kwam er een keersluis met hefdeur in Gouda zelf, de Donkere Sluis, en nog een ter hoogte van de Gouwe/Rijn overgang (Gouwesluis). Bij Spaarndam, waar het Spaarne in het IJ uitmondt, werd ook zo een keersluis met hefdeur voor de scheepvaart gebouwd naast de spuisluizen.

Zo kon lading in een schip van de juiste maat zonder overslag via de Gouwe van het Zuiden en Westen (Vlaanderen, Noord Frankrijk en Engeland) naar de Hollandse steden (Leiden, Haarlem, later ook Amsterdam) gevaren worden, maar ook verdere bestemmingen (de Gelderse IJsselsteden, Friesland, Groningen)bereiken en via de Noordduitse havens of om Denemarken heen in het Oostzeegebied komen, en vice-versa. Daarnaast werd er ook veel lading in Gouda op andere schepen overgeslagen. Al was de passage van de sluizen ingewikkeld en soms zeer tijdrovend, zo kon toch een klein schip veiliger dan over de gevaarlijke Noordzee de grote afstand tussen zuidwest Frankrijk en Engeland  en het Baltische gebied overbruggen. De kustvaarders, die deze reizen regelmatig maakten werden waarschijnlijk precies op de maat van de sluizen gebouwd.

Vanwege het toegenomen goederenvervoer vestigden zich veel schippers in Gouda, die in de 14e en 15e eeuw vooral voeren op Noord Frankrijk, Vlaanderen en Engeland, en in mindere mate ook Duitsland en de Oostzee. Zij exporteerden vooral Gouds bier naast regionale industrieproducten en brachten allerlei hoogwaardige producten, maar ook basismaterialen zoals hout, wol en graan terug. De toegenomen bedrijvigheid in Gouda leidde tot stichting van kloosters, vestiging van scheepswerven, een enorme bierproductie en ontwikkeling van andere op de export gerichte Goudse industrieën, zoals touwslagerijen voor Vlaanderen en lakennijverheid voor de noordelijke Hansesteden. In korte tijd groeide Gouda uit tot de vierde stad van Holland, na Dordrecht, Leiden en Haarlem, maar tegen het eind van de 15e eeuw was de stad alweer door Amsterdam, Delft en Rotterdam ingehaald. De schepen voor de kustvaart naar Noord Frankrijk en Duitsland, die van de doorvaart gebruik maakten, werden waarschijnlijk op die maatvoering in Haarlem en Gouda voor lokale schippers maar ook voor de schippers uit Vlaanderen en het noorden gebouwd.

 

DE GEREGELDE DOORVAART

De doorvaart door Gouda werd vertraagd doordat de rivier bij laagwater ondiep was en de enkele sluisdeur van de Donkere Sluis bij hoogwater gesloten werd om instroom van het rivierwater te verhinderen.

In 1436 kwam hierin een belangrijke verbetering, toen (grotendeels op kosten van de verenigde Hollandse steden) een tweede sluisdeur, 400 meter verder dan de Donkere Sluis, gebouwd werd waardoor een lange schutsluis ontstond, waarin vele schepen tegelijk en ook bij hoogwater geschut konden worden. Toch bleef Gouda door veel drukte van laden en lossen in de smalle haven een moeilijk te passeren hindernis in de toch al lastige “doorvaart binnen dunen”, die wegens de vele regelgeving bekend kwam te staan als de “gecostumeerde” vaart, volgens regels of te wel “coutumes”.

Verdragen met Dordrecht en Haarlem, gunstige tolgeldregelingen voor de regionale schippers, contracten met de Hanzesteden, en verbetering van de sluizen moesten de klanten tevreden houden. Bescherming tegen ontevredenen vond plaats door het grafelijke verbod op sluizenbouw elders in de Hollandse dijken en dammen voor andere vaarroutes en zelfs stuurde Gouda, gesteund door Dordrecht en Haarlem, een paar keer het leger op pad om dergelijke sluizenbouw met geweld te verhinderen.

Intussen nam de handel over zee tussen Zuid en West Europa en het Oostzeegebied aan het eind van de 15e eeuw sterk toe, parallel aan verbetering van de zeileigenschappen en grotere ladingcapaciteit van de zeeschepen en de verbeterde navigatiemogelijkheden op zee.

Zo verminderde het belang van de kleine kustvaart via de moeizame gecostumeerde route in verhouding tot de steeds veiligere en snellere zeevaart. Men dient zich hiertoe te realiseren, dat er niet alleen tolgeld betaald moest worden, maar dat de vaste toogbruggen in de steden en de nauwe en lage valdeuren van de sluizen in Gouda, Gouwesluis en Spaarndam alleen door relatief smalle en lage schepen met gestreken mast gepasseerd konden worden en dat de geringe diepte en breedte van de gegraven vaarten verderop alleen roeien, bomen of jagen toeliet.

De toenemende drukte door de massale op- en overslag van turf veroorzaakte toch steeds ernstiger stremmingen in de doorvaart. De groei van Gouda vertraagde ten opzichte van zeehavens zoals Amsterdam, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorn, maar kwam zeker niet tot stilstand, omdat de regionale welvaart toch bleef toenemen. Toen tijdens het beleg en ontzet van Leiden in 1572 veel troepen en goederen van het prinselijke leger Gouda door moesten gaan, viel de insufficiëntie van de doorvaart echter eens te meer op en leidde dit tot de bouw van de bredere Mallegat- of Statensluis buiten de Rotterdamse Poort en het uitdiepen van de stadsgracht (Turfsingel) als onoverkluisde route naar de Gouwe. De van twee paar moderne puntdeuren en een ophaalbrug voorziene Statensluis was een echte schutsluis en mocht eerst alleen door oorlogsschepen gebruikt worden, maar later ook door alle schepen, die tot nu toe Holland niet binnen konden varen (“wijdschepen”, in tegenstelling tot “smalschepen” die door de Donkere Sluis konden) en zelfs door alle schepen die langer dan twee dagen lagen te wachten op de doorvaart. Zulke grotere sluizen werden terzelfder tijd ook in Gouwesluis en Spaarndam aangelegd. Mede dankzij die verbeterde sluizen in de doorvaartroute lag het aantal scheepspassages in de stad Gouda rond 1600 op acht- tot tienduizend per jaar!

 

DE TREKVAART

In de 17e eeuw, de Gouden Eeuw voor Holland, nam de landelijke binnenvaart snel toe: door nieuwe speciaal daartoe gegraven kanalen met jaagpaden er langs werd de trekvaart met smalle, lage en voorspelbaar snelle schuiten dankzij goed georganiseerde paardentractie ontwikkeld tot een superieur personen- en goederenvervoerssysteem tussen de Hollandse steden, waar transport over de weg niet aan kon tippen. De Goudse privileges van de “gecostumeerde vaart” werden nu ingeruild voor grotere vrijheden betreffende de trekvaart. Vanaf het midden van de 17e eeuw kwamen er “verlaten” (sluizen, weliswaar smaller dan de Goudse, Gouwesluis- en Spaarndammer sluizen, maar groot genoeg voor de trekvaart) in de Leidschendam, de Hildam, de Bilderdam en aan de zuid- en westzijde van Amsterdam, waardoor de doorvaartroute niet meer uniek was.

De overslagfunctie van Gouda in de Noord-Zuidroute bleef wel bestaan, terwijl de uitvoer van turf via de Goudse haven dankzij de “onuitputtelijke” natte turfwinning in de veengebieden rond Gouda sterk toenam en aanhield tot in de achttiende eeuw. De industrialisatie van de stad Gouda leidde ook tot intensief gebruik van de vaarwegen voor de export van goederen, maar de plaatselijke industrie en de handel groeide minder hard dan elders in Holland en de stad viel verder terug op de ranglijst van de Hollandse steden.

 

HET HAVENKWARTIER VERPLAATST ZICH

Met het toenemende gebruik van de Mallegatsluis en de verschuiving van scheepvaart door de stad naar de vaart door de singels bleef de functie van de Veerstalkade langs de IJssel ongewijzigd, maar ging de aan de scheepvaart geassocieerde nijverheid van de binnenstad naar de buurt bij de sluis, terwijl vanaf de tweede helft van de 17e eeuw ook de turfhandel van de Turfmarkt naar de buitenzijde van de Turfsingel langs de westelijke stadsmuur verhuisde. De vaarroute door de Donkere Sluis werd nu meer bestemd voor de trage, lage en locale kleine vaart, zoals turfschuitjes, houtvlotten, groenteschuiten, en vissersboten; de Mallegatsluis/Turfsingelroute, waar strijken van de mast niet meer nodig was, was voor de grotere doorgaande vaart. In de 18e eeuw nam het vervoer met grotere binnenschepen dusdanig toe, dat in 1764 een nieuwe grotere Mallegatsluis ter vervanging van de oude gegraven werd. De hoofdroute naar Amsterdam ging nog via Haarlem, maar de kleinere vrachtvaart kon na de drooglegging van de Haarlemmermeer in de 19e eeuw een kortere weg kiezen via de oostelijke ringvaart. Geleidelijk ontwikkelde de route zich steeds meer tot de hoofdader voor regionaal vrachtvervoer tussen Amsterdam en Rotterdam met aftakkingen naar alle steden, die daar tussen lagen. De negentiende eeuw bracht opnieuw toename van het vervoer te water, wat ook nu weer aanleiding gaf tot lange wachttijden in Gouda. Ter verlichting van de Mallegatsluis kreeg de oude vaarroute door de Gouwe en de Haven na 1860 nog beweegbare in plaats van vaste bruggen, maar de lange binnenstadsluis bleef traag en de vaarweg bleef ondiep, zodat de winst gering was terwijl de druk op de doorvaartroute bleef toenemen.

In 1875 was de scheepvaart in Gouda nog goed voor 45% van de stedelijke inkomsten en in 1930, kort voor de aanleg van de Julianasluizen buiten Gouda werden er 55000 passerende schepen (en onaanvaardbaar lange wachttijden) in de Mallegatsluis vastgesteld!

 

DE SCHEEPVAART VERPLAATST ZICH

De situatie rond de sluizen in Gouda was dusdanig verergerd, dat een rigoureuze oplossing onvermijdelijk was. Ten westen van de stad werd door de provinciale overheid het Gouwekanaal gegraven tussen de Gouwe en de IJssel en hier kwam nu een nieuwe  en veel grotere en sneller schuttende sluis, waarmee alle doorgaande scheepvaart langs Gouda geleid werd. Ook kwam hier naast de sluis een nieuw dieselgemaal met grote capaciteit ter vervanging van het stoomgemaal in de Fluwelensingel uit het midden van de negentiende eeuw.

Na de opening van deze nieuwe Julianasluis in 1937 zakte het aantal schepen dat nog de Mallegatsluis passeerde direct tot minder dan een kwart en uiteindelijk werd de sluis mede door de opkomst van het spoorweg- en wegvervoer eigenlijk alleen nog door de pleziervaart gebruikt. Gouda leed zwaar onder het verlies van de scheepvaart en had het economisch ook overigens moeilijk met vele verouderde bedrijfjes in de binnenstad.

 

FINALE

Na de Watersnoodramp van 1953 werd de oude haveningang naar de Haven- en Donkere Sluis voorgoed geblokkeerd door een vaste waterkering op Deltaplanniveau langs de Veerstal, het oude waterfront. De Donkere sluis, die (tot de komst van het Panamakanaal) met het Amsterdams verlaat uit 1436 en de Havensluis uit 1615 eeuwenlang de langste sluis ter wereld vormde, verloor nu na ongeveer 700 jaar zijn functie. Ook de beweegbare bruggen waren nu overbodig en werden deels weer door vaste vervangen.

Ondanks het verdwijnen van de scheepvaart kwam de stad er dankzij de centrale ligging in de Randstad via stadsuitbreiding voor woonwijken en nieuwe bedrijfsterreinen weer enigszins bovenop.

Nu is de vroeger zo drukke vaarroute door de stad op initiatie van de Werkgroep Gouda Havenstad toch weer onderwerp van gemeentelijke discussies: men heeft mooie voornemens om hem weer uit te diepen en open te maken voor passende pleziervaart, al schiet de uitvoering nog niet erg op.

Bij de Mallegatsluis heerst nu al langere tijd een verrassende rust. De sluis draait hoogstens een paar keer per dag, vooral ´s zomers voor de pleziervaart. Het schipperswachthuis is nog net voor sloop behoed en aan de stichting Binnenhavenmuseum Turfsingel gegeven, die sinds 1990 de zwaaikom en aanpalende wateren beheert om ligplaatsen te verhuren en faciliteiten te verschaffen voor het behoud en restauratie van authentieke binnenschepen uit vroegere tijden.. De bedrijven langs de Turfsingel zijn overgestapt op wegvervoer en merendeels verhuisd naar de industrieterreinen rond de stad.

 

 

Schrijver: D. Blusse