Belvedere-project Kleine Oude Stadshavens
Cultuurhistorie biedt kansen bij herontwikkeling
Er bestaan in
Nederland tientallen kleine oude stadshavens die wachten op herontwikkeling.
Door functieverlies, het wegvallen van vaarbewegingen en een vermindering van
de faciliteiten zijn veel van deze havens in onbruik geraakt. Daarmee dreigen
ze ook hun karakteristieke identiteit te verliezen. Studenten van de Hogeschool
Van Hall Larenstein hebben onderzocht op welke manier cultuurhistorische
waarden kunnen worden betrokken bij de (her)ontwikkeling van kleine havens. Hun
onderzoek werd gesubsidieerd door de Belvedere-organisatie.
Noodzaak van
herontwikkeling van oude kleine stadshavens
Vóór de opkomst van de Industriële Revolutie, in de loop van de negentiende eeuw, vond het vervoer van goederen voornamelijk plaats over water. Havens waren belangrijk: daar concentreerden zich de vervoersstromen. Omdat hierdoor ook inkomsten werden gegenereerd voor de stad zelf, had vrijwel iedere stad die aan het water was gelegen wel een haven. Vaak hadden die havens een strategische ligging, vlak bij de oude historische centra. Bovendien waren ze veelal geïntegreerd in de oude vestingwerken, voordat deze werden beslecht.
De havens waren niet alleen bedoeld voor de bevoorrading van de stad, maar vooral ook voor de voeding van het achterland. Vaak vormden ze een netwerk samen met andere havens. Voorbeelden daarvan waren de havens in het merengebied van Friesland, de havens rondom de Zuiderzee en de havens in de veenkoloniën. Elk havennetwerk had zijn eigen functie en afzetkanaal: soms lokaal, soms internationaal. Dat laatste gold bijvoorbeeld voor de havens die een rol speelden in de Oostzeehandel. Via een veelomvattend netwerk van vaarwegen stonden de havens met elkaar in verbinding.
Met de opkomst van spoorwegen en verharde wegen veranderde de situatie. Het was niet langer noodzakelijk om goederen per schip naar iedere stad te vervoeren. Daardoor verloren de meeste kleine stadshavens hun voornaamste functie: de handel. Niet alleen de havens zelf raakten hierdoor op den duur in verval, maar ook de toeleidende waterwegen kwamen onder druk te staan. Steeds meer vaste bruggen maakten de vaarwegen bijna ontoegankelijk voor de steeds groter wordende schepen. Dit alles leidde tot een gestage daling van het aantal vaarbewegingen en tot het verlies van een belangrijk deel van de faciliteiten van de havens.
Spanningsveld
Zonder nieuwe functies zijn de oude stadshavens gedoemd om in verval te raken. De havens die nog wel goed bevaarbaar zijn en waar nog wel industriële activiteiten plaatsvinden, worden geconfronteerd met problemen van deze tijd. Zo leidt de overslag van goederen tot milieu- en verkeersoverlast bij omwonenden. Veel havens bevinden zich in een spanningsveld: moet de oude functionaliteit gehandhaafd blijven en nieuw leven worden ingeblazen, of moet er worden gezocht naar een nieuwe functie? Welke afwegingen er ook spelen en welke keuzes er uiteindelijk ook worden gemaakt, in alle gevallen rijst op een gegeven moment de vraag: wat doen we met de aanwezige cultuurhistorische waarden?
Vreemde eend in
moderne bijt
Een aantal gemeenten is erin geslaagd om hun kleine oude stadshavens nieuw leven in te blazen met behoud van hun cultuurhistorische identiteit. Niet door ze volledig te conserveren en er musea van te maken, maar door ze succesvol te laten transformeren, er nieuwe functies aan te geven, en ervoor te zorgen dat ze opnieuw een centrale plek vormen in hun stedelijke omgeving, zonder identiteitsverlies. Helaas zijn er ook gemeenten waar dat niet is gelukt: daar liggen de oude havens nu als een vreemde eend in de moderne bijt.
Studenten van de Hogeschool Van Hall Larenstein hebben onderzocht hoe de aanwezige cultuurhistorische waarden kansen kunnen bieden bij de herontwikkeling van de havens. Daarbij hebben ze zich vooral gericht op de historisch-geografische ontwikkeling van de havens en de landschappen waarin die zijn gelegen. Individuele objecten, zoals gebouwen, zijn in de waardebepaling niet meegenomen, omdat die buiten de reikwijdte van de opleiding vallen.
In totaal zijn er zes havens bestudeerd. Kernvraag was steeds: hoe kan cultuurhistorie bijdragen aan de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van de haven? Welke havens er onderzocht zouden worden, werd onder andere bepaald door vragen die zich voordeden bij belanghebbende partijen, met name adviesbureaus en belangengroeperingen. In het verdere onderzoek traden zij op als opdrachtgever voor de studenten.
Zes havens onder de
loep
In het geval van Langweer, bijvoorbeeld, vormde de ontwikkeling van een concreet plan voor de herprofilering van de oude haven aanleiding om die haven onder de loep te nemen. Uiteindelijk leidde dat tot het inrichtingsplan Boulevard Stevenshoek. In Alblasserdam is gekeken of – en zo ja, hoe – de Haven Zuid kan fungeren als opvangplek en transferium voor een toeristisch reconstructieprogramma waarin de 19 molens van Kinderdijk centraal staan. In de Toekomstvisie Havengebied Wageningen is onderzocht hoe deze haven in zijn totaliteit kan worden herontwikkeld. In het geval van de stadshaven van Gasselternijveen ging het erom of het vanuit cultuurhistorisch perspectief zinvol zou zijn om de dichtgestorte vaarwegen weer toegankelijk te maken voor scheepvaartverkeer. Voor de haven van Heeg werd geschetst welke cultuurhistorische problemen daar spelen en wat de mogelijke oplossingen zouden kunnen zijn. En tot slot werd bij de haven van Kampen bekeken hoe de al uitgevoerde herontwikkeling zijn beslag heeft gekregen, of het cultuurhistorisch potentieel voldoende is benut, en of er wat dat betreft in de toekomst nog verbeteringen mogelijk zijn.
Gebruikswaarde
Uit het onderzoek van de studenten blijkt dat goed functionerende oude stadshavens een aantal algemene kenmerken vertonen. De functionaliteit of gebruikswaarde van de havens staat voorop: er moet geld worden verdiend en wel zo effectief mogelijk. Schepen moeten goed kunnen af- en aanmeren en de vaarwegen moeten goed bevaarbaar zijn, zonder grote obstakels. Verder is het belangrijk dat er goede overslagmogelijkheden zijn. Om de aan- en afvoertijden kort te houden moet de ontsluiting naar het achterland – hetzij via het water, hetzij via de weg – optimaal zijn. De aanwezige gebouwen staan in dienst van de functie die de haven heeft. Elke haven heeft daarmee ook een uniek ruimtelijk karakter en een eigen sfeer. Belangrijk ook zijn de netwerkverbindingen van (vaar)wegen en handelsrelaties met andere steden in binnen- en buitenland.
Belevingswaarde
Naast hun functionaliteit worden de meest succesvolle oude stadshavens gekenmerkt door hun hoge belevingswaarde. Er valt in deze havens altijd wat te doen, en allemaal hebben ze een eigen identiteit. Mensen die zelf niet in de haven werken, worden aangetrokken door de vertrekkende en aankomende schepen, door de dynamiek die gepaard gaat met de overslag, en vooral door de bruisende bedrijvigheid en de steeds wisselende activiteiten die er plaatsvinden. De haven is dé plek waar oude schippers samenkomen om op hun eigen bankje sterke verhalen te vertellen over vroeger.
Toekomstwaarde
Een ander belangrijk kenmerk van een goed functionerende haven is dat die zich mee kan ontwikkelen wanneer de omstandigheden veranderen. De mensen achter de haven, de structuur ervan, het achterland – alles moet dusdanig flexibel zijn dat de haven ook een (economische) toekomst heeft.
Vijf succesfactoren
Om ook daadwerkelijk op die belangrijkste kenmerken te kunnen voortborduren, moet er in principe aan vijf succesvoorwaarden worden voldaan: kennis van de diverse elementen die binnen en rondom de haven een rol spelen of hebben gespeeld; het kunnen herkennen van de ontstaansgeschiedenis van de haven; een voldoende mate van functionaliteit of gebruikswaarde van de haven; de aanwezigheid van toekomstmogelijkheden voor de haven; en een goede organisatie van de inbreng van belanghebbenden.
Factor één: positie in groter geheel
Het succes van de herontwikkeling van de oude haven zit hem in de kunst om voort te borduren op de belangrijkste algemene kenmerken ervan. Aan de ene kant de belevingswaarde, de gebruikswaarde en de toekomstwaarde van de haven zelf, zoals hierboven geschetst. Aan de andere kant de plek die de haven inneemt binnen de bredere stedelijke of landschappelijke omgeving, en de positie van de haven in een binnenlandse of zelfs internationale netwerkstructuur. Bij de haven van Gasselternijveen bijvoorbeeld is gekeken of het zinvol zou zijn om de dichtgestorte vaarwegen weer bevaarbaar te maken. Uiteindelijk kwam men tot de slotsom dat dit geen haalbare kaart was, maar die conclusie kon alleen worden getrokken dankzij de benodigde kennis over het ontstaan van de vaarwegen.
Factor twee:
herkenbaarheid ontstaansgeschiedenis
Het kunnen herkennen van de ontstaansgeschiedenis van de haven is een tweede succesfactor bij de herontwikkeling ervan. Die geschiedenis kan zich uiten in het behoud van objecten en structuren, maar vooral ook in de verhalen die door bewoners, gebruikers en bezoekers over de haven worden verteld. Blijft de eigen identiteit duidelijk herkenbaar, dan zorgt dat ook weer voor nieuwe verhalen. Het terugherkennen van de cultuurhistorische betekenis en identiteit van een gebied draagt in belangrijke mate bij aan de belevingswaarde van de haven. In Langweer en Heeg bijvoorbeeld heeft men voortgeborduurd op de ontstaansgeschiedenis van de havens: er is nadrukkelijk naar gestreefd die in de huidige tijd opnieuw ‘beleefbaar’ te maken.
Factor drie:
functionaliteit
De derde succesfactor wordt gevormd door de functionaliteit en de gebruikswaarde van de haven. En dan gaat het niet alleen om de oude functionaliteit van de haven en de omliggende vaarwegen – traditioneel de beroeps- en pleziervaart – maar vooral ook om de manier waarop de haven nú kan worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe vormen van bedrijvigheid, of aan een ander gebruik of een andere beleving van het water. Wageningen is wat dat betreft exemplarisch. Tot voor kort richtte men zich daar vooral op het in stand houden van de oude functie van de haven: de overslag van goederen. Door dat uitgangspunt los te laten en te kijken naar nieuwe functionele mogelijkheden, is er een manier gevonden om oude impasses te doorbreken en andere gebruikswaarden te creëren.
Factor vier: ruimte
voor verandering
De vierde factor heeft betrekking op de toekomst van de haven. Er moet ruimte zijn voor de economische, culturele en ruimtelijke veranderingen van morgen. Voor de haven van Alblasserdam bijvoorbeeld geldt dat die tegelijkertijd haar oorspronkelijke identiteit kan behouden én een nieuwe toekomst kan krijgen: handhaaf de bestaande ruimtelijke structuren, maar koppel er andere functies aan, is daar het idee.
Factor vijf: inbreng
van belanghebbenden
De laatste succesfactor ten slotte is de manier waarop de inbreng van belanghebbenden wordt georganiseerd. Hoe meer zij bij het planproces worden betrokken, hoe hoger zij het uiterlijk en het gebruik van de herontwikkelde haven uiteindelijk zullen waarderen.
Al met al is het dus geen geringe opgave waar plannenmakers voor gesteld staan bij de herontwikkeling van zo’n oude stadshaven. Levendigheid, functionaliteit en bedrijvigheid moeten worden teruggebracht, cultuurhistorische waarden moeten worden gerespecteerd, maar ook voor toekomstige ruimtelijke, culturele en economische veranderingen moet ruimte zijn. Met het begrip herontwikkeling wordt in ons onderzoek dan ook veel meer bedoeld dan het herstellen van de haven in zijn oude glorie en het restaureren van de aanwezige oude objecten. Het gaat ons hier om de bredere cultuurhistorische betekenis van de haven, die op zijn beurt een van de bouwstenen vormt – let wel: één van de bouwstenen – voor de ruimtelijke kwaliteit in zijn geheel.
Oude stadshavens zouden geen relikwieën uit het verleden moeten zijn, en hoeven dat ook niet te worden. Hun identiteit is sterk genoeg; het zijn plekken waar toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen nog volop hun beslag kunnen krijgen. Voorwaarde is alleen dat de cultuurhistorische betekenis van de haven wordt herkend en erkend – en vervolgens zo zorgvuldig mogelijk wordt meegenomen in de nieuwe plannen.
Drs. L. Hakvoort
Projectcoördinator Belvedere-project Kleine Oude Stadshavens
Hogeschool Van Hall Larenstein
Email: L.Hakvoort@larenstein.nl
004.2006
